Nieuws - 14. December 2011

Door: Freddy Ruys

Kerstverhaal: "Paul en Paula"

Freddy Ruys

 

Een nieuw Kerstverhaal: "Paul en Paula"

Freddy Ruys is al jarenlang lid van de wijk Sint Niklaas. Jaarlijks schrijft hij voor zijn wijk een toneelstuk dat bij het begin van het jaar door de leden van de wijk Sint Niklaas wordt opgevoerd, en steeds heel wat kijklustigen lokt. Het is ook een fijne traditie die de leden dichter tot elkaar brengt tijdens de vele repetities onder leiding van broeder Ruys.

Maar Freddy Ruys schrijft ook prachtige kerstverhalen. Onlangs publiceerde hij zijn laatste nieuwe kerstverhaal "Paul en Paula" en voor de bezoekers van onze website hebben we dit verhaal hier integraal opgenomen. Het is een aangename manier om stilletjesaan in de sfeer van Kerstmis terecht te komen. Mocht je nog meer van dergelijke verhalen willen lezen dan kan je misschien zijn kerstverhalen-boek "De weg naar een stal" aankopen via elke goede boekhandel of via het Internet bij "Free Musketeers".  

Veel leesgenot en een vredige Kersttijd!

 

 

Paul en Paula;

 

Ik leerde hen kennen tijdens mijn stageperiode in het rusthuis “Herfstrust”. Paula, een tweeëntachtigjarige bewoonster, beginnend dement en gekluisterd aan haar rolstoel waar ze na een beroerte was in terechtgekomen, werd elke dag opgezocht door haar tien jaar oudere broer Paul. Hij was een magere maar flinke man met sneeuwwit haar en baard, levendige, schalkse oogjes zodat hij, mits de nodige kleding en een buikje, perfect voor een Kerstman kon doorgaan.

Paula was hier na haar beroerte enkele jaren terug geplaatst omdat ze niet langer voor zichzelf kon zorgen. Haar handen, stijf van de reuma en haar vingers misvormd en kromgetrokken door artrose, bezorgden haar heel wat pijn en last. Zo kon ze niet meer omgaan met bestek en had ze zelfs moeite om een kopje vast te pakken om er uit te drinken. Ze was steeds aangewezen op hulp bij het eten maar daar er doorgaans te weinig personeel aanwezig was en de mensen hun aandacht aan teveel verschillende mensen moesten verdelen ging ze dikwijls weg van tafel terwijl ze amper van het voedsel dat voor haar stond had genomen. Paula, uit zichzelf al een teruggetrokken en stil iemand, zat vaak zo ver weg in haar gedachtewereld dat ze nauwelijks besefte dat ze honger had.

Als stagehelpster greep haar lot me erg aan. Ze was zulk een broos, stil persoontje, dat het liefst teruggetrokken op haar kamer bleef waar ze vanuit haar stoel door het raam zat te kijken naar het komen en gaan van mensen die het rusthuis bezochten. Daar zat ze onbewogen, onverschillig voor haar omgeving, te wachten. Dikwijls probeerde ik kontact met haar te maken, probeerde met grapjes of met iets aardigs haar aandacht te trekken maar het enige wat ik kon bereiken was een verbaast gezicht dat me aanstaarde alsof ze zich afvroeg; “wie ben jij? wat doe je hier?” Ze leek zo onbereikbaar, zo ver weg, dat ze niet meer tot deze wereld leek te horen.

Dit wegkwijnende vrouwtje leefde pas op even voor de middag. Elke dag, ongeacht wat die dag bracht, hetzij regen of zonneschijn, was het zomers warm of buiten berenkoud in de winter, stipt op hetzelfde uur kwam Paul daar aangestapt. Met zijn korte voorzichtige stapjes, de krant onder zijn arm, was hij herkenbaar van zodra hij in haar gezichtveld kwam. Het was dan alsof er bij Paula een stelselmatig opgebouwde spanning als met een diepe zucht van haar wegvloeide en ze eindelijk tot leven kwam. Haar gezicht ontspande en haar ogen gingen stralen.

“Paul,…Paul..” bleef ze herhaaldelijk zeggen en als je dan bij haar stond wees ze hem aan alsof we hem nog niet kenden.

Paul kwam, ondanks zijn eigen hoge leeftijd, zijn zusje, zoals hij haar placht te noemen, opzoeken. Een uur voor het middageten was hij er. Na een hartelijke knuffel las hij haar voor uit de krant tot het tijd was om naar de refter te gaan voor het middagmaal. Ook Paul gebruikte daar altijd zijn middagmaal en samen zittend aan een tafeltje aten ze. Paul hielp haar tussendoor. Hij lepelde haar de soep in de mond, voor hij aan zijn eigen bord begon. Hij sneed haar vlees in kleine stukjes en voerde haar tot ze genoeg had en hij aan zijn eigen maaltijd begon. Ze bleven zitten tot na het dessert en de koffie, waarbij Paul met de andere bewoners een babbeltje hield over dagdagelijkse dingen.

Na de maaltijd bracht Paul haar weer naar haar kamer, waar hij haar pijnlijke benen en handen een deugddoende massage gaf, zodat ze daarna tevreden een middagdutje kon maken. Hij ging dan weer naar zijn eigen huis om daar de huiselijke taken te doen die nodig zijn om een woning leefbaar te houden.

Toen ik hem op een dag eens vroeg waarom hij dat, op zijn leeftijd, allemaal nog deed keek hij me verwonderd aan; “ Zij is toch mijn zusje, zij is de enige die mij nog rest, verdiend ze het niet dat ik met haar begaan ben? Dat ik voor haar zorg? Zij heeft haar leven gewijd aan het verzorgen van onze ouders, van moeder toen ze ziek was, van vader in zijn oude dag. Ze heeft nooit de tijd genomen voor zichzelf. Toen onze ouders wegvielen was ze te oud om nog een gezin te stichten en bleef eenzaam achter. In de tijd die ze toen vrij kreeg, ging ze mensen opzoeken die alleen waren. Mensen die ziek waren, of oud. Haar bereidwillige handen deden het werk dat daar liggen bleef, zo bracht ze wat licht en warmte in het trieste lot van angst en eenzaamheid . Mijn zusje is een engel, en een engel verdiend waardering” besloot hij.

De blik waarmee hij Paula al die tijd had aangekeken sprak boekdelen. Het was een blik die getuigde van respect en gehechtheid. Met een meewarige glimlach streelde hij voortdurend haar misvormde handen en met tranende ogen monsterde hij haar getekende gezicht. Teder nam hij met een kus op haar voorhoofd afscheid en vertrok .

Nu ik de achtergrond van Paula wat beter kende was ik ook wel benieuwd naar wie haar broer was geweest. Na wat rondvragen bij het personeel, bewoners en bezoekers kon ik een profiel schetsen van Paul. Hij was altijd een man van de wereld geweest. Hij had destijds gestudeerd en had een hoge positie weten te bereiken in de maatschappij, was getrouwd maar had geen kinderen. Mensen wisten me te vertellen dat hij een rijk leven had geleid, woonde in een mooi en statig huis met tuin, dikwijls voor lange tijd op reis trok maar altijd wat eenzelvig bleef. Toen zijn veel jongere vrouw hem ontviel toen hij tachtig was, sloot hij zich op in zijn verdriet en kwam zelden nog naar buiten. Het was aan zijn zus die toen nog gezond was te danken dat hij niet verkommerde en wegkwijnde. Zij hielp hem zijn verdriet te verwerken en weer om het leven te geven. Toen hij er eindelijk weer bovenop kwam en weer wat van het leven begon te genieten, kreeg Paula haar beroerte. Eerst wou hij haar thuis verzorgen, maar door haar verlamming met zijn specifieke noden en zijn onaangepaste woning moest hij daarvan afzien. Zo is ze hier gekomen en sinds die dag kwam hij elke dag langs.

De dagen verliepen zoals ze in een verzorgingshuis gewoonlijk verlopen. Voor de bewoners tot vervelens toe, eentonig. Voor het personeel in een drukkende sleur, gehaast.

Het jaar liep naar zijn einde toe. De dagen werden korter. De lange nachten brachten koude en kilheid met zich mee. De laatste bladeren vielen van de bomen die zich in hun naaktheid spookachtig tegen de grijze luchten aftekenden. Het grauwe gras kreeg een witte huid van rijp tijdens het zonnige ochtendgloren en uiteindelijk daalden ook de eerste sneeuwvlokken over de groezelige aarde neer. De winter deed zijn intrede.

De verwarmingsinstallaties draaiden op volle toeren en voor wie zich buiten begaf waren handschoenen, wollen jassen, sjaals en warme schoenen geen overdaad.

 

Om het troosteloze van deze donkere, koude winterdagen tegen te gaan, worden er lichtjes opgehangen, kerstbomen versiert met glimmende ballen, want het feest van kerstmis nadert. Regelingen en afspraken voor feesten worden gemaakt. Winkels doen gouden zaken, cadeautjes worden massaal ingekocht. Kerstmis is een familiefeest geworden dat moest schitteren. Men pakt uit met de fijnste gerechten, de duurste dranken, de kostelijkste geschenken. Hoe chiquer de aankleding, hoe killer de sfeer. Diepmenselijke genegenheid is niet langer aan de orde. Het stalletje met de kleine Jezus is naar de achtergrond gedrongen. Het past blijkbaar niet langer in deze rijke tijd.

 

Ook in herfstrust staat in de hal een grote kerstboom opgesteld. Prachtig is hij versierd met glinsterende slingers, kleurrijke bollen en knipperlichtjes die flitsen en fonkelen. De werksters en verzorgsters zijn kort aangebonden vandaag. Gejaagd doen ze hun werk. Wie nu van dienst is, heeft het toch maar weer zitten. Thuis wacht nog zoveel werk en hier moet men tijd maken voor een kerstfeestje. Het middagmaal is speciaal verzorgd en wat feestelijker dan anders en daarna is er een optreden van enkele plaatselijke vrijwilligers die wat verzet voor de mensen brengen wat allemaal heel mooi is maar wat ook zoveel meer werk met zich meebrengt.

Ook ik ben van dienst en heb ook de nachtshift van iemand overgenomen.

Ik begin in de late namiddag als het optreden net is begonnen. Er wordt een spel opgevoerd over een rijke vrek die gans de dag door zijn geld zit te tellen op zoek naar zijn eerste miljoen. Hij raakt natuurlijk verstrikt in zijn eigen netten van gierigheid, verliest alles maar ook zijn vrouw die, zonder dat hij het besefte, het weinige huishoudgeld dat hij haar gaf, deelde met hen die minder hadden.

Ook Paul en Paula volgen het spel, dat kluchtig werd gespeeld, met grote aandacht. Paul geniet duidelijk en licht Paula regelmatig toe als ze niet kan volgen. Verscheidene van de oudjes kunnen hun aandacht er niet bij houden en dutten in of zitten rond te zien. Het feest wordt besloten met koffiekoeken en taart en dan wordt iedereen naar bed gebracht zodat de late ploeg naar hun eigen feest thuis kan.

Paul is deze middag gebleven tot na het avondeten. Wanneer ik een ogenblikje vrij heb. ga ik bij aan hun tafeltje zitten. Ik vraag of hij heeft genoten van het feestje en de maaltijd en hij geeft volmondig toe dat de dag geslaagd is en bedankt mij en de anderen voor hun inzet. Ik vraag hem waarom hij niet hier in het verzorgingstehuis komt wonen, hij zou dan dichter bij zijn zusje zijn en niet elke dag heen en terug door alle weer en wind moeten lopen, terwijl hij zelf zijn verzorging zou krijgen.

Paul kijkt me daarop onderzoekend aan, glimlacht begrijpend en zegt; “Jij bent nog jong en heb je idealen. Dat goed zo. Toen wij nog zo jong waren hadden wij ook onze idealen. Ik heb me er altijd aan trachten te houden. Zo werd kerstmis bij ons thuis altijd in intieme kring gevierd en ik wil dat zo houden tot het echt niet meer kan. Morgen kom ik mijn zusje halen en vieren we kerstmis bij mij thuis. De directie weet ervan. Zou jij willen klaarmaken en warm aankleden zodat ik haar morgenvroeg kan komen ophalen voor ons ontbijt?”

Ik herinnerde me dat ik daar iets over had gelezen in het logboek, kijk naar buiten en zie hoe sneeuw, door de wind opgejaagd, wervelend neervalt op het wegdek. Het wordt een witte kerst. Mooi, maar ook zo gevaarlijk. Zeker voor oudere mensen.

“Weet je wat,” zeg ik terwijl ik hem in zijn jas help; “Ik heb morgen hier om acht uur gedaan, zal ik Paula naar jou toe brengen, dan moet je geen onnodige verplaatsing maken in dit nare weer.”

“Dat zou heel lief zijn van je,” antwoordt de verblufte man, hij kijkt van mij naar zijn zus die al in bed ligt en kijkt me dan weer aan; “Dat zou ik echt fijn vinden. Als je wil mag je zelfs met ons meevieren.” zegt hij met oplichtende ogen. De afspraak is gemaakt en Paul keert terug naar zijn huis.

Ik bel naar mijn ouders om hen op de hoogte te brengen en met de nachtploeg houden we ons eigen feestje. Het wordt een rustige, stille nacht.

 

Kerstdag. Als mijn dienst er op zit maak ik Paula klaar en vertrek. Het is een bewolkte dag en er hangt nog sneeuw in de lucht. De sneeuw is nog maar op weinig stoepranden geruimd zodat het duwen is om er met de rolstoel doorheen te komen. Het is ook nog stil zo vroeg op straat. De meesten slapen uit na een nachtje feesten.

Na een stevige wandeling kom ik in de straat waar Paul woont. Zijn huis is een oud herenhuis met hoge ramen en een trapje als opstap maar voor te rolstoel is een talud gemaakt. De sneeuw is hier wel geruimd en op de deur hangt een plaat waarop “welkom” staat.

Nadat ik heb aan gebeld, komt Paul onmiddellijk opendoen. Zijn ogen schitteren verheugt als hij ons ziet en hij nodigt ons direct binnen te komen. In de ruime hal is het gezellig warm. Er valt me meteen een zoete geur op als van kaneel, appeltjes en chocolade. Op de sierlijke trapleuning hangen rozetten met kerstversiering afgewisseld met lampionnetjes waarin kaarsjes flikkeren.

Na onze jassen te hebben aangenomen worden we naar de woonruimte geleid. Ik kom ogen te kort om rond te kijken. Het is alsof ik in een andere wereld binnenstap. In de grote openhaard brandt een knetterend vuur en wel honderd brandende kaarsen verlichten de kamer met een diffuus licht dat sprookjesachtig gezellig aandoet. Er staat niet één kerstboom maar er staan er verschillende. Ze zijn niet versierd met lichtjes of ballen, maar met snippers en slingers. Ze bakenen als het ware een weg af waarlangs diverse taferelen zijn uitgebeeld die het kerstverhaal weergeven. Zo zie je hoe Jozef aanklopt aan een herberg, hoe herders met hun kudde schapen optrekken naar de stal en de stal waar engelen de komst van de Heiland bejubelen. Helemaal achteraan zie je hoe een karavaan met koningen, aankloppen aan het paleis van Herodes, met de vraag waar de nieuwe koning is geboren.

De taferelen zijn schilderachtig mooi gemaakt en ik kan er bijna niet bij dat Paul dit alles heeft opgezet, enkel voor deze ene dag. Maar Paul heeft nog meer verrassingen in petto. Hij nodigt ons aan de tafel waar we appelkoeken met chocolademelk krijgen opgediend. De appelkoeken smaken verrukkelijk. Nooit eerder at zulke fijne appelkoeken en als hem vraag waar hij ze heeft gehaald, antwoord hij laconiek; “Uit de oven” en als hij mijn verbaasde blik ziet voegt hij er lachend aan toe; “Deze morgen zelf gebakken naar een recept van Paula” waarop hij zich naar haar toe keert als vroeg hij om bevestiging. Paula zat met een zalige glimlach te genieten en het was duidelijk dat dit tweetal een heel nauwe band hadden.

Na het ontbijt gaan we in een gemakkelijke zetel zitten. Paul neemt zijn bijbel en leest het verhaal over de geboorte van Jezus voor. Telkens hij bij een element komt dat is weergegeven in zijn kersttafereel, ontsteekt hij daar een nieuwe kaars. Na de lezing verdeelt Paul een stapel enveloppen die we moesten openmaken en voorlezen. Het zijn allemaal zelfgetekende en volgeschreven wenskaarten in diverse talen. Bij sommigen zitten foto’s ingesloten waar kinderen of hele families op staan. Ik vraag hem van wie ze zijn. Met enige fierheid zegt hij; “Van onze kinderen.”

Ik kijk hem niet begrijpend aan en stamel; “Maar ik dacht dat jullie kinderloos waren gebleven?” Even kijkt hij me verward aan, toen glimlacht hij en corrigeert zichzelf; “Adoptiekinderen, onze adoptiekinderen. Op onze reizen leerde we hen kennen en zagen hun noden. Met een kleine bijdrage konden we hen een opleiding en een onbezorgde jeugd geven waarvoor ze ons dankbaar blijven. Jaarlijks sturen ze ons hun kerstwensen en zo blijven we met hen verbonden.”

De kaarten en tekeningen met foto’s worden doorgegeven en gelezen waarna ze allemaal opgehangen worden aan een lint naast de schoorsteen. Dan schrijven we kerstkaarten met wensen voor het nieuwe jaar voor al die kinderen en hun gezinnen. Sommige van deze kinderen hebben ondertussen zelf al gezinnen merk ik.

Het is een bezigheid waarbij de tijd voorbij vliegt. Het middagmaal is eenvoudig maar smakelijk. Zelfgemaakte groentesoep met balletjes en daarna gebakken aardappels met appelmoes en koteletjes. Als toetje heeft Paul rijstpap met bruine suiker. Allemaal dingen waar ik thuis mijn neus voor ophaal maar hier smaakt het me als een waar feestdis.

Na de afwas die ik voor mijn rekening neem ook al pruttelt Paul tegen, gaan we weer in de zetels zitten. Paul en Paula hadden de fotoalbums uitgehaald en we zitten er nu naar te kijken waarbij herinneringen worden opgehaald. Er wordt gelachen om leuke anekdotes en meewarig gedroomd bij de trieste gedachten. Ik leer het tweetal nog beter kennen. Ik hoor over hun leven dat ze hebben geleid, over hun vreugdes en hun verdriet.

De gezellige warmte binnen, de sfeer die er hangt, het stemt me mild . Zeker als we samen enkele kerstliedjes gaan zingen. Het klinkt wellicht niet echt mooi, twee krassende, oude stemmen en ik met mijn stem die niet eens de helft van de liedjes ken en daarom maar wat mee neurie, maar het geeft wel intimiteit. Nog nooit heb ik kerstmis zo intens beleeft, het is alsof er twee engelen bij mij zitten en misschien is dat ook wel zo. 

Ik heb spijt als ik afscheid moet nemen. van deze twee mensen van goede wil, maar ik moet nog over huis en ik wil het tweetal de huiselijkheid laten om van hun samenzijn te genieten.

 

25.10.2011