'Een van Hen sprak tot mij (...) en zei, wijzend op de ander: "Dit is mijn geliefde Zoon. Hoor Hem!"'

HET EERSTE VISIOEN VAN JOSEPH SMITH

'In overeenstemming hiermee, namelijk mijn besluit om het aan God te vragen, trok ik mij terug in het bos om de poging te wagen. Het was op de morgen van een mooie, heldere dag, vroeg in het voorjaar van achttienhonderdtwintig. Het was de eerste maal van mijn leven dat ik een dergelijke poging deed, want ondanks mijn bezorgdheid had ik nog nooit eerder een poging gedaan om hardop te bidden.'

'Toen ik mij had begeven naar de plek die ik eerder had gekozen en om mij heen had gekeken en had vastgesteld dat ik alleen was, knielde ik neer en begon de verlangens van mijn hart tot God op te zenden. Nauwelijks had ik dat gedaan, of ik werd aangegrepen door een of andere kracht die mij geheel overmande en zo'n verbazingwekkende invloed op mij had, dat mijn tong gebonden werd, zodat ik niet kon spreken. Dikke duisternis omhulde mij en enige tijd had ik het gevoel dat ik tot plotselinge verdelging was gedoemd.'

'Maar, al mijn krachten aanwendend om God aan te roepen om mij te bevrijden uit de macht van deze vijand die mij had aangegrepen, en op het moment dat ik op het punt stond in wanhoop te verzinken en mij aan verdelging over te geven - niet aan een denkbeeldige ondergang, maar aan de macht van een bestaand wezen uit de onzichtbare wereld dat zo'n verbazingwekkende kracht bezat als ik nog nooit in enig wezen had gevoeld - precies op dat moment van grote ontsteltenis zag ik recht boven mijn hoofd een lichtkolom, de helderheid van de zon overtreffend, die geleidelijk neerdaalde tot zij op mij viel.'

'Zodra die verscheen, voelde ik mij bevrijd van de vijand die mij gebonden hield. Toen het licht op mij rustte, zag ik twee Personen, wier glans en heerlijkheid elke beschrijving tarten, boven mij in de lucht staan. Een van Hen sprak tot mij, mij bij de naam noemend, en zei, wijzend op de ander: Dit is mijn geliefde Zoon. Hoor Hem!'

'Mijn bedoeling toen ik navraag ging doen bij de Heer, was om te weten te komen welke van alle sekten gelijk had, zodat ik zou weten bij welke ik mij moest aansluiten. Zodra ik dus mijzelf weer in de hand had, zodat ik kon spreken, vroeg ik de Personen die boven mij in het licht stonden, welke van alle sekten gelijk had (want op dat moment was het nog nooit bij mij opgekomen dat ze alle ongelijk hadden) - en bij welke ik mij moest aansluiten.'

'Ik kreeg het antwoord dat ik mij bij geen daarvan moest aansluiten, want ze hadden alle ongelijk; en de Persoon die mij aansprak, zei dat al hun geloofsbelijdenissen een gruwel in zijn ogen waren; dat die belijders allen verdorven waren: 'Zij naderen Mij met hun lippen, maar hun hart is verre van Mij; zij verkondigen als leerstellingen geboden van mensen en hebben een schijn van godsvrucht, maar verloochenen de kracht daarvan.'

'Hij verbood mij andermaal mij bij welke dan ook aan te sluiten; en vele andere dingen zei Hij mij, die ik nu niet kan opschrijven. Toen ik weer tot mijzelf kwam, bemerkte ik dat ik op mijn rug lag en naar de hemel keek. Toen het licht was heengegaan, had ik geen kracht meer; maar aangezien ik spoedig enigermate herstelde, ging ik naar huis.'