
Joseph Smith is in 1805 geboren in Sharon (Vermont, USA). We beginnen zijn verhaal als hij veertien jaar is en nog bij zijn ouders thuis woont. In de omgeving is een godsdienstige opleving gaande, waarbij de verschillende godsdienstige groeperingen elkaar de loef af proberen te steken en ieder om het hardst zielen proberen te winnen. Als gevolg daarvan houdt Joseph zich ernstig bezig met de vraag bij welke kerk hij zich moet aansluiten. Hij beschrijft in eigen bewoordingen wat er dan gebeurt:
'In deze tijd van grote opwinding werd mijn gemoed tot ernstige bezinning en grote onrust aangezet; maar ofschoon mijn gevoelens diep en dikwijls aangrijpend waren, hield ik mij toch afzijdig van al die groeperingen, hoewel ik hun verschillende bijeenkomsten bijwoonde zo dikwijls de omstandigheden het toelieten. Na verloop van tijd begon ik iets te voelen voor de methodistische sekte en kreeg ik een zeker verlangen mij daarbij aan te sluiten; maar zo groot waren de verwarring en de twist tussen de verschillende gezindten dat het onmogelijk was voor iemand van mijn jeugdige leeftijd, en zo weinig bekend met mensen en zaken, om met enige zekerheid uit te maken wie er gelijk had en wie ongelijk.
'Mijn gemoed was soms zeer opgewonden, zo hevig en onophoudelijk waren het geschreeuw en de opschudding. De presbyterianen waren zeer uitgesproken tegen de baptisten en methodisten, en bedienden zich van alle mogelijke logica en spitsvondigheid om hun dwalingen te bewijzen, of althans het volk te laten geloven dat ze dwaalden. Aan de andere kant waren de baptisten en methodisten op hun beurt even ijverig in hun pogingen om hun eigen dogma's te onderbouwen en alle andere te weerleggen.
'Te midden van deze woordenstrijd en botsende meningen vroeg ik me vaak af: Wat staat mij te doen? Welke van al deze groeperingen heeft gelijk, of hebben ze allemaal ongelijk? Als er één gelijk heeft, welke is dat dan en hoe kom ik dat te weten?
'In de tijd dat de buitengewone moeilijkheden die veroorzaakt werden door de twisten tussen deze groeperingen godsdienstijveraars, op mij drukten, las ik op zekere dag de zendbrief van Jakobus, hoofdstuk 1 vers 5, dat luidt: Indien echter iemand van u in wijsheid tekortschiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, mildelijk en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden.
'Nooit heeft enige passage uit de Schrift een mensenhart sterker getroffen dan deze op dat moment het mijne. Zij leek met grote kracht in iedere vezel van mijn hart door te dringen. Ik dacht er keer op keer over na, in het besef dat als iemand wijsheid van God nodig had, ik dat was; ik wist immers niet wat ik moest doen, en tenzij ik méér wijsheid kon krijgen dan ik toen bezat, zou ik het nooit weten, want de godsdienstleraars van de verschillende sekten vatten dezelfde passages uit de Schrift zo verschillend op, dat alle vertrouwen om het probleem te kunnen oplossen aan de hand van de Bijbel de bodem werd ingeslagen.
'Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat ik óf in het duister en in verwarring moest blijven, óf de aanwijzing van Jakobus moest opvolgen, dat wil zeggen, God erom bidden. Ik kwam ten slotte tot het besluit om inderdaad 'God erom te bidden', redenerend dat als Hij wijsheid gaf aan hen die in wijsheid tekortschoten en mildelijk zou geven en niet zou verwijten, ik het kon proberen.'